| Dutch |
aansluiten, afbinden, afdammen, afsluiten, band, bar, barriиre, behoudens, belemmeren, beletten, bende, beperking, binden, binding, boekdeel, briket, cafй, compagnie, das, deel, doorkruisen, drenkplaats, geluidssterkte, herberg, horde, inhoud, kapel, koord, koorde, kroeg, lijn, lijntje, lint, meren, met een band omgeven, muziekkapel, onderbinden, pees, ploeg, reep, riem, rot, schare, scheidsmuur, snaar, snoer, stemband, storen, stremmen, string, strip, strook, stropdas, stuwen, tapperij, toebinden, touw, troep, tuigeren, vastbinden, vastleggen, vastmaken, vendel, verbinden, vereniging, verhinderen, verhoeden, versperren, versperring, volume, windsel, zeen, aanbinden, afhalen, begrenzing, unie |
| Russian |
группа людей, лента, нанизывать, натягивать, нитка, оркестр, отряд, полоса материи, ряд, струна, тетива, шнурок, банда, веревка, ограничение, союз |
| Serbian |
niz, opseg, pojas, povorka, traka, uzica, veza, vlakno, vrpca, zivac, konopac, ljuska, ogranicenje, zajednicki |