| Dutch |
afstraffen, afval, authentiek, behoorlijk, betamelijk, bevoegdheid, bijsturen, bocht, correct, corrigeren, daadwerkelijk, echt, effectief, eigenlijk, exact, fatsoenlijk, feitelijk, gegrond, gelijk hebbend, getrouw, goed, heus, juist, keurig, loyaal, naar behoren, naar rechts, nauwkeurig, net, netjes, okay, okee, okй, onvervalst, opmaken, opvorderen, pal, precies, recht, rechter-, rechtsaf, rechtsom, rekwireren, reлel, rommel, schuim, trouw, trouwhartig, uitschot, vandehands, verbeteren, verdoen, verklungelen, verkwisten, verkwisting, vermorsen, verspillen, verspilling, voegzaam, vorderen, vuil, waar, waarachtig, welvoeglijk, werkelijk, wezenlijk, accuraat, afstraffen |